|
Algemene informatie: Naam: Luipaardgekko Latijnse naam: Eublepharis macularius Verspreidingsgebied: Van Oost-Iran over Afghanistan en Pakistan tot Noordwest-India, in half-droge gebieden. Grootte: De luipaardgekko wordt 20 a 25 centimeter groot. Leeftijd: gemiddeld zo’n 15 jaar. ![]() Dit is Cera, een van onze wildkleur vrouwtjes, geboren op 4 mei 2005. Op de rug lijkt de luipaardgekko vele wratten te hebben. Dat geeft hem een aanzien van een zacht huidje, wat hij uiteraard niet heeft. Ze kunnen tot 25 centimeter lang worden onder optimale omstandigheden. Hier hebben we echter ook vrouwtjes zitten die dat absoluut niet gaan halen, dus is het geen maatstaf. De staart lijkt te bestaan uit segmenten. Ze kunnen hun staart afwerpen bij elke segment, waarna er een nieuwe staart aangroeit, die er eigenlijk zelden zo mooi uitziet als de originele staart. Meestal ziet de geregenereerde staart er een stuk minder mooi uit en loopt het nieuwe deel meer in een bolletje. Dit is op zich niet heel schadelijk voor de gekko zelf, maar het aangroeien kost heel veel energie en de afgeworpen staart zorgt voor meer risico op infectie. Zet een gekko met een afgeworpen staart dus apart op bv. keukenrol en zorg ervoor dat hij/zij niet teveel stress krijgt en genoeg voer heeft (liefst bv een bakje meelwormen omdat krekels voor meer stress zorgen). Luipaardgekko’s slaan vetreserves op in hun staart. Een goed gevulde staart is dan ook geen slecht teken, maar juist een teken dat het dier het goed gaat en hij/zij klaar is voor de winterrust. ![]() Dit is de geregenereerde staart van Lilo, deze had ze al toen we haar kochten. Geslachts bepaling. De geslachts bepaling is bij luipaardgekko's niet heel moeilijk, maar het duurt wel even voordat de dieren groot genoeg zijn om het te zien. Heel soms kunnen wij al onderscheid maken na een week of 8, maar bij 3 tot 6 maanden word het pas echt duidelijk om te zien. Het makkelijkst te onderscheiden zijn de mannen. die hebben namelijk aan het begin van de staartwortel twee ballen waar de vrouwen dat niet hebben. Ook hebben mannen duidelijkere pre anale porien die te zien zijn als een "V" van iets donkerdere stipjes. dit word echter pas zichtbaar als ze al wat groter zijn, dus in het begin zien wij het vooral aan de ballen. Het geslacht kan worden bepaald met de manier van uitbroeden, maar doorover meer bij het kweekgedeelte van deze caresheet meer.
Hieronder volgt een lijst met kleurmutaties, waarin de luipaardgekko inmiddels ook te vinden is. De zogeheten morphs…(althans bij mij bekend) Hieronder volgt een lijstje met kleuren, oftewel morphs, van de luipaardgekko met daarbij een kleine uitleg zoals ik die zelf begrepen heb van mensen die er meer van weten dan ik. Ik zal daarbij foto’s van de morphs toe voegen. Druk op een morph naam om de foto van een morph te bekijken.
Tot zover het uiterlijk, nu gaan we verder met het houden van luipaardgekko’s! Het terrarium Als minimale maat voor een luipaardgekko koppeltje wordt vaak 60x40x40 (lxbxh) genoemd. Persoonlijk vind ik dit wat aan de kleine kant, maar dat is voor ieder voor zich. Op dit moment heb ik de dieren hier verschillend gehuisvest. Ik heb maar weinig koppeltjes, aangezien de meeste van mijn dieren in grotere groepen lopen. Zo heb ik twee terraria van 125 x60x60 (lxbxh) waarin 5 luipaardgekko’s rondwandelen. Een man en vier vrouwen. Er mag nooit meer dan een man per terra lopen, omdat mannen onderling zullen vechten, mogelijk tot de dood erop volgt! Ook heb ik twee terra’s van 160x50x50 (lxbxh) waarin ongeveer 7 a 8 dieren lopen. Dit gaat allemaal prima. De luchtvochtigheid hoeft bij luipaardgekko's niet hoog te zijn. Zorg er wel voor dat er altijd een bakje water beschikbaar is zodat ze wel over water kunnen beschikken als ze dat willen. Verder af en toe sproeien is voldoende. wij doen dat zomers iets vaker als in de winter. Het substraat Als substraat gebruiken wij inmiddels calci-grit. Dit zijn kleine kalk snippertjes. Dit calci-grit bestaat uit pure engelse kalk en wij vinden het op dit moment het fijnste en beste substraat wat we hebben geprobeerd. We hebben echter ook altijd erg veel plezier gehad van (het veel goedkopere) speelzand. Speelzand werkt ook prima in een luipaardgekko terrarium, alleen heeft het een nadeel, vind ik. En dat is dat je het vaak in zakken koopt waarin het nog nat is. (Liggen vaak buiten bij tuincentra’s) Op zich geen probleem, maar houdt er rekening mee dat het dan eerst aardig kan opdrogen voor je de dieren in je terra doet. Ook hebben we calci-zand gebruikt, dat in vele kleuren op de markt is gebracht. Wij hebben een tijdje het rode zand in het terra gehad. In tegenstelling tot zand bestaat calci-zand uit grovere korrels of balletjes zogezegd. Prima substraat, alleen vind ik dat je het bij gekko’s die het opeten de balletjes terug vind in de ontlasting, wat voor mijn gevoel het gevaar voor verstopping verhoogt. Dit is hier echter nog nooit gebeurt, dus dit is slechts een gevoel en geen waarheid! Wij hebben calci-zand hier altijd zonder problemen gebruikt. Calci-zand is redelijk prijzig, maar geeft je terra een mooi uiterlijk door de kleur, terwijl met name calci-grit er in het begin minder natuurlijk uitziet door de witte kleur die het heeft. Voeding De luipaardgekko eet in principe alleen levende voederdieren. Het zijn geen groente en fruit eters. Het verschild heel sterk wat de verschillende mensen aan luipaardgekko's voeren, maar de meeste voeren voornamelijk krekels een meelwormen. Wijzelf voeren ook voornamelijk krekels en meelwormen en als variatie voeren wij sprinkhanen en wasmotten. Sommige mensen denken dat meelwormen niet goed zijn voor luipaardgekko's omdat ze van binnenuit de gekko's aan zouden kunnen eten. Dit is voor zover ons bekend een fabeltje. Bijna alle grote kwekers in Amerika voeren "alleen maar" meelwormen en hebben hier geen problemen mee. Ook groeien de gekko's er erg hard op dus het is niet zo dat er niet genoeg variatie in het voer zit. Het is echter wel erg belangrijk om de meelwormen (en alle andere voedseldieren) goed te "gutloaden" dit is het bijvoeren van de voerdieren. Daarmee kan je de voedingswaarde van je voedseldieren enorm verhogen, want er zit vaak maar weinig in de dieren die je aangeleverd krijgt. Bij het voeren is het belangrijk om de grootte van de voedseldieren in de gaten te houden deze mag niet groter zijn dan de grootte van het hoofd van de luipaardgekko. Baby luipaardgekko's krijgen dan ook vaak de kleinste maat krekels (4 of 5) of buffalow wormpjes en dit loopt langzaam op tot grote meelwormen en krekels maat 8. Wasmotte gebruiken wij ook wel af en toe maar dan vooral bij jonge of magere dieren die wel wat extra's kunnen gebruiken. Wasmotten zijn net junkfood voor luipaardgekko's, ze vinden het erg lekker maar worden er heel snel dik van. Bij de wasmotten die wij jonge luipaardgekko's af en toe voeren nemen wij meestal wasmotten met voedingsbodem. Deze bevat meer en veel kleinere wasmotten in tegenstelling tot de wasmotten zonder voedingsbodem. dat zijn er vaak minder en alleen hele grote die niet geschikt zijn voor baby luipaardgekko's. De wasmotten met voedingsbodem kom je echter niet zo vaak tegen en het kan ook wel een werkje zijn om de wasmotten in de voedingsbodem te zoeken. Verder maken wasmotten vaak een cocon waar ze in kruipen, maar daar kan je ze meestal nog gewoon uit halen door het cocon open te scheuren. Sprinkhanen voeren wij ook wel eens als variatie. Wij voeren dan halfwas sprinkhanen, omdat volwassen sprinkhanen wel erg groot zijn. Wat verder ook nog wel eens aan luipaardgekko's word gevoerd zijn nestmuisjes van maximaal een paar dagen oud(pinkies). Deze bevatten veel voedings stoffen en calcium en dit is vooral goed voor volwassen vrouwtjes die eieren leggen. Dat kost namelijk erg veel energie en voor de eieren hebben ze ook extra veel calcium nodig. Niet alle gekkos eten pinkies. wij hebben tot nu toe alleen dode pinkies proberen te voeren en die wilde maar weinig gekkos hebben. Met levende pinkies hebben wij geen ervaring, maar omdat beweging van de prooi erg belangrijk is voor luipaardgekko's kan het zijn dat ze pinkies levend beter eten. Pinkies zijn echter als je goed en genoeg voerd zeker niet noodzakelijk voor luipaardgekko's Dit brengt ons meteen op het onderwerp voedings supplementen. Om goed te voeren is het is namelijk erg belangrijk om alle voerderdieren te bepoederen met kalk of vitaminen, omdat de gekko's dit nodig hebben. Wij zelf zetten vaak ook een los schaaltje met kalk in het terrarium en daar likken de luipaardgekko's van als ze daar zin in hebben. Verder zijn er bijvoorbeeld vitamine druppels die je in het water kan doen om voor extra vitamine toediening te zorgen. Dit gebruiken wij naast het bepoederen van de dieren en dus niet ter vervanging! De verwarming/verlichting Voor de verwarming van onze terra’s gebruiken wij voornamelijk gloeilampen. Dit heeft altijd prima gewerkt tot wij in mei 2005 onze eerste albino kochten. Deze albino vond de gloeilamp niet zo plezierig en liep met de ogen dicht bij het voor dit dier veel te felle licht. Toen zijn we overgestapt op infra rode lampen. De dieren zien dit licht niet en voila, de albino liep weer met de ogen open! Deze lampen hebben echter een groot nadeel, vinden wij. Ze laten namelijk de kleuren niet goed uitkomen. Bij de wildkleuren merkten we dit niet, maar bij onze hybino man zag je niet meer welke kleur hij nou eigenlijk had en dat vonden wij zonde van de mooie kleuren. Daarom zijn we overgestapt op keramische lampen en hebben we voor de verlichting hele zwakke spotjes die hij wel aankan. De meeste van onze terra’s worden echter nog steeds verwarmd door simpele gloeilampen van een verschillend wattage. Houdt er rekening mee dat Bell albino’s zelfs de zwakste spotjes verafschuwen. Dit zijn de albino’s met de roodste ogen en hebben dus het meeste moeite met licht. Ik heb zelf geen Bell albino’s, maar veel Bell albino eigenaren verwarmen hun terra’s met een warmtemat annex warmtekabel. Rood licht (lees: infra-rood) zou in principe ook moeten werken, daar de gekko’s dit niet zien, maar dan heb je wel weer het kleuren probleem. Je wilt in je terra verschillende temperaturen creeeren. Onder de spot mag het tot 35 graden oplopen, terwijl het in de koelste hoek van je terra zo’n 28 graden kan zijn. Daar tussenin zit veelal 30 graden wat het op de meeste plekken van je terra zal zijn. Dit kun je regelen door op een paar punten te letten. 1. Let erop dat je je verwarming niet in het midden van je terra plaatst. Met andere woorden: lampen moeten niet midden in je terra hangen, maar meer naar een zijkant wat dan de warme kant van je terra wordt en warmtematten moet je dus niet onder je hele terra plaatsen, maar een stuk vrijlaten waar het koeler kan zijn. 2. Door het wattage van je lamp of je warmtemat zo te kiezen dat je er het dichtst bij komt en dan je lamp te dimmen met een simpele dimmer. Op die manier kun je nauwkeurig werken. Het mooiste is natuurlijk werken met een thermostaat. Een thermostaat werkt met een voeler die je in je terrarium plaatst. Deze meet de temperatuur op de plek van de voeler en schakelt het verwarmings element zodanig tot de ingestelde temperatuur gehaald is. Bij thermostaten heb je te maken met twee principes. Fase afsnijding en fase aansnijding. Hoe dat precies werkt leg ik graag uit, maar is voor deze caresheet niet zo belangrijk. Wat wel belangrijk is het effect dat de principes hebben. In het ene geval word er namelijk hard aan en uitgeschakeld als de ingestelde temperatuur wel of niet gehaald is. Hier kun je dus geen lamp op aan sluiten omdat die voortdurend aan en uit gaat en jijzelf en je luipaardgekko's daar helemaal gek van worden. Dit kan echter wel bij bijvoorbeeld warmte stenen/ kabels en keramische lampen. Het tweede pricipe werkt een stuk mooier, maar is helaas vaak ook duurder. Bij faseaansnijding word het aangesloten verwarmings element (of lamp etc) gedimd in de plaats van aan of uit geschakeld. Naarmate de temperatuur die de voeler meet dichter bij de ingestelde temperatuur komt, zal de thermostaat het warmte element verder dimmen. Omdat dit heel geleidelijk gaat kan je hier dus ook een lamp op aan sluiten. Ook zorgt deze methode voor minder grote schommelingen doordat de gewenste temperatuur geleidelijk word bereikt en de temperatuur dus niet ver doorschiet voordat de verwarming uit springt om vervolgens weer ruim onder de gewenste temp te moeten zakken voordat de verwarming weer aan springt. Let op dat kleine terra’s ook iets minder verspreiding van temperaturen kan hebben. Een terra voor je nakweek moet dus niet 35 graden onder de spot zijn, aangezien je dan nooit 28 in de koele zone bereikt. Ga met een klein (nakweek) terra meer rond het gemiddelde zitten, zodat het niet te warm is. Je gekko’s laten vaak merken wat de temperatuur voor hen doet. Is het (te) warm zullen ze de koele zijde opzoeken en daar onder een steen of in het koele/ vochtige bakje liggen. Is het (te) koud dan liggen ze vol overdag onder de spot te zonnen. Daar kun je dan iets mee doen. Wel mag het onder de spot warm zijn zodat ze daar als het licht uitgaat kunnen gaan opwarmen. Slim is dan ook een (echte) steen (flagstone bij voorkeur) onder de spot te plaatsen. Die houden warmte goed vast. Deze steen kun je zo leggen in het terra met kleine steentjes ter ondersteuning dat ze er ook onder kunnen liggen. Een warmtesteen gebruiken wij hier niet. Die kan erg snel te warm worden waardoor de buiken (die erg kwetsbaar zijn) kunnen verbranden. Wil je die toch gebruiken, test hem dan eerst goed uit zonder gekko’s en houdt er rekening mee dat ie in het terra warmer wordt dan daarbuiten vanwege de omgevingstemperatuur. Schuilen Alle dieren hebben in het terra hun eigen schuilplek nodig. Het beste is om rekening te houden met het aantal dieren + 1. Dan heb je voldoende schuilplaatsen. Vaak maken ze er geen gebruik van, maar haal ze dan toch niet weg! Er kan altijd iets gebeuren waardoor een gekko de rust zoekt en even alleen wil zijn (denk aan vervellen, eitjes moeten leggen etc). Die kans moeten ze allemaal hebben. Daarnaast hebben ze minimaal een bakje nodig met vochtig veenmos erin. Dit brengt verkoeling en helpt met de vervelling. Je zult zien dat ze die opzoeken als ze moeten vervellen. Ook leggen ze de eieren in die bak. Het veenmos is vochtig, dus niet nat! In de grote groepen hebben wij altijd twee bakjes met veenmos staan. Als bak gebruiken wij ijsbakken waar we dan een gat inknippen. Dit gat knippen wij aan de zijkant. Dit doen we zodat als er een vrouwtje eitjes legt en ze graaft het bakje vol, wij dit goed kunnen zien. Het is echter beter voor je veenmos om het gat boven in het deksel te knippen, waardoor je veenmos schoner blijft. Wij moeten hier in het kweekseizoen regelmatig het veenmos vervangen… Inrichting Als je de schuilplaatsen hebt geregeld kun je het terra inrichten zoals je wilt. Er kunnen echter (niet giftige) planten in het terra, maar denk aan het klimaat. Maar weinig planten zullen dit klimaat fijn vinden. Cactussen zijn woestijn planten bij uitstek, maar echte stekels kunnen de gekko’s verwonden en zijn daarom geen optie. Let er ook op dat een gekko de plant kan uitgraven. Wij gebruiken dan ook geen echte planten in het terra, maar alleen kunst. Gekko’s doen niet moeilijk over de inrichting. Ze willen graag wat kunnen klimmen dus zorg er wel voor dat alles goed stevig staat… Enne let op voor een kurken acterwand! Een gaatje in die wand en je hele voorraad krekels zit er in no time achter…en dan maar denken, goh, wat eten ze goed, geen krekel te zien ;-) Het kweken met luipaardgekko’s Kweken met luipaardgekko’s gaat redelijk gemakkelijk. Er zijn echter een aantal dingen die je in de gaten moet houden. Die volgen hier nu: 1. Als je kweekt met je luipaardgekko’s, dan moeten de vrouwtjes minimaal 45 gram wegen om dit goed aan te kunnen. Het vergt veel van de dames en ze hebben dan ook een goede vetreserve in de staart nodig! De man mag niet veel kleiner zijn, maar wel iets. Ik zou ongeveer 40 gram aanhouden. Sommige vrouwen zijn erg klein (wat kan komen door te vroeg eitjes leggen), maar toch halen de meesten de 45 gram. Alleen zijn de kleine vrouwtjes dan echt goed dik…;-) 2. Je kunt ervoor kiezen om het mannetje bij de vrouwtjes te laten lopen (dat doen wij) of ze apart te houden en alleen voor paren bij elkaar te zetten. Beide manieren hebben zo hun voordelen. 3. Vrouwtjes kunnen veel legsels in een jaar krijgen. Let op voor uitputting en haal desnoods op tijd de man eraf… 4. Kalk is erg belangrijk voor een leggend vrouwtje. Een schaaltje met kalk zou ten alle tijden aanwezig moeten zijn in het terra. 5. Legbakje met vochtig veenmos in het terra. Als het vrouwtje geen legplaats kan vinden kan het zijn dat ze de eitjes in het zand legt of dat ze ze niet legt. Bij de eerste is het resultaat: verloren eitjes. Bij de tweede is het resultaat: legnood! Heel gevaarlijk voor het vrouwtje! 6. De eitjes mogen niet gedraaid worden. Plaats met stift een stip op het ei, zodat je het niet meer per ongeluk draait en daardoor het embryo afsterft! 7. Zorg voor huisvesting voor de jonge lipaardgekko's. Deze kunnen niet bij volwassen dieren, omdat die ze makkelijk voor grote krekels aan kunnen zien. 8 Broedstoof en bakje met vermiculiet (of perliet). Een broedstoof kan je bijvoorbeeld ook zelf maken. Vaak word dan gekozen voor het au bain marie principe. Dit betekend dat je een bak hebt met daarin een laag water. Door dit water te verwarmen met bv een aquearium verwarming kan je de lucht in de stoof warm en vochtig krijgen. De eieren liggen dan in een bakje dat op een rooster boven het water staat. De deksel is vaak schuin zodat de druppels na beneden lopen en niet op de eieren kunne vallen. Dit word ook wel opgelost door een deksel schuin op het bakje met de eieren te zetten. Hier onder zie je onze au bain marie broedstoof. ik heb er tempex platen omheen gemaakt die ik heb afgetaped (tegen het afbrokkelen van de piepshuim volletjes) om op die manier de broedstoof extra te isoleren. dit zorgt ervoor de de temperatuur in de broedstoof minder hard schommelt en minder snel last heeft van invloed van de buiten temperatuur en het scheelt warmte verlies en daarme dus energie! ![]() Als aan bovenstaande voorwaarden is voldaan kan je beginnen met kweken. Zodra er volwassen luipaardgekko mannetje bij vrouwtjes luipaardgekko's komt zullen deze vrijwel altijd paren. Dit doen zijn meerdere keren gedurende het seizoen. In de herft/winter (simuleren met kortere lichtperiode) stoppen ze vaak vanzelf met paren. Na de eerste keer paren zal het een paar weken (minimaal 2) duren voordat er eieren komen. Het eerste legsel mislukt vaak, maar dit hoeft niet. Het vrouwtje zal de eieren op een vochtige plaats leggen en dit is in pricnipe altijd de vochtige bak die je daarvoor hebt neergezet. Als het vrouwtje klaar is met leggen zal ze de eieren zoveel mogelijk proberen te begraven. Ze kunnen daarbij heel veel zand verplaatsen en ze zullen vaak de eieren de eerste 24 uur blijven bewaken. Wij laten het vrouwtje meestal eerst een tijdje haar gang gaan voordat we de eieren opgraven. Na het opgraven bedekken we de plek waar de eieren lagen meestal weer, omdat het vrouwtje anders toch gewoon opnieuw begint met (be)graven terwijl de eieren al weg zijn. Als de eieren in de broedstoof liggen kun je ze regelmatig in de gaten houden of ze nog goed zijn. Na enkele dagen kan je zien of de eieren bevrucht zijn. Bij bevruchte eieren zie je allemaal rode bloedvaten verschijnen als je er op schijnt met een lampje. Onbevruchte eieren blijven geel en kunnen gaan schimmelen. Haal rotte/beschimmelde eieren altijd weg om je overgie eieren te beschermen. Ook kunnen de eieren te nat of te droog worden. Te natte eieren worden glazig terwijl te droge eieren zullen invallen. Als het nog niet te erg is dan kun je dit oplossen door droog vermiculiet toe te voegen als de eieren te nat zijn geworden of vocht toe te voegen als de eieren te droog zijn geworden. Een goede verhouding van vocht en vermiculiet is 100 gram water op 100 gram vermiculiet. Dit lijkt als je het voelt misschien nog te droog, maar het is precies goed. Afhankelijk van de temperatuur zal het langer of korter duren voor de eieren uitkomen en zal je meer mannen of vrouwen krijgen. Bij 28o celcius duurt het uitbroeden ongeveer 8 a 9 weken en krijg je voornamelijk vrouwen bij 32o celcius krijg je voornamelijk mannen en duurt het uitbroeden ongeveer 6 weken. Jonge luipaardgekko's hebben niet zoveel ruimte nodig als volwassen dit maakt het alleen maar lastig voor ze om hun voedsel te vinden. Hou ze daarom in kleine terrariums. Wijzelf hebben de jongen in terrariums van 30x30 cm en daar hebben we er meestal 2 inzitten en een enkele keer tot 4. Naarmate ze groter worden zetten we ze vaak over in wat groter terrariums (bv. 35x55 cm) Wees voorzichtig met te veel dieren in een terrarium. Het kan dan gebeuren dat bepaald jongen erg dominant zijn ten opzichte van andere jongen, waardoor de dominante al het voedsel opeet en de andere niets of te weinig krijgen. Ook kan het tijdens het voeren makkelijk voorkomen dat een staart of voetje word aangezien als voer, waardoor er ongelukken gebeuren. Met minder dieren in een bak verklein je de kans daarop. jongen eten in tegenstelling tot de volwassen dieren vaker. De eerste maanden elke dag, daarna neemt het langzaam af tot ze gelijk zitten aan de volwassenen. 2 a drie keer per week. Genetica luipaardgekko's bij het kweken met luipaardgekko's is genetica erg belangrijk. Niet alleen kun je met genetica voorspellen hoe je nakweek er kwa uiterlijk uit zal zien (fenotype), maar ook welke eigenschappen een luipaardgekko wel bezit in zijn totaal pakket van genen(genotype), maar die je niet ziet. Het genotype word namelijk bepaald door de ouders. De helft van de genen komt van de moeder en de helft van de vader en daardoor kan er bij kruizingen vaak goed voorspeld worden wat de uitkomst zal zijn. Er zijn verschillende type eigenschappen bij luipaardgekko's die hierna aan bod zullen komen. recessieve eigenschappen bij luipaardgekko's: Als eerste hebben we de recessieve eigenschappen, die door 1 paar genen word bepaald. Dat de eigenschap recessief is wil zeggen dat hij niet dominant is en dat alleen in het geval dat een luipaardgekko van beide ouders een recessief gen voor dezelfde eigenschap meekrijgt deze tot uiting komt. Als een dier 1 recessief gen heeft dan zal dit helemaal niet te zien zijn, maar hij kan het gen wel doorgeven. Het dier noemen we dan heterozygoot voor de betrefende eigenschap. We kennen bij luipaardgekko's bijvoorbeeld de volgende resessieve morphs:
Een kleine letter staat voor een recessief gen een een hoofdletter voor een standaard wildkleur gen. ouder 1 = wildkleur, dus twee standaard genen:AA ouder 2 = albino, dus twee recessieve genen:aa mogelijke gen combinaties nakweek: ouder 1: A x ouder 2: a = Aa = wildkleur het. voor albino. Als we nu een wildkleur het. voor albino gaan kruizen met een albino (beide van de zelfde albino soort), dan word het interessanter. Van ouder 1 krijgt de nakweek namelijk theoretisch in 50% van de gevallen een normaal gen mee en in 50% van de gevallen een recessief albino gen. Van ouder 2 zal de nakweek altijd een recessief gen mee krijgen. De nakweek zal dus in 50% van de gevallen wildkleur het. voor albino zijn(namelijk als ouder 1 een normaal gen doorgeeft) en in 50% van de gevallen zal de nakweek albino zijn(namelijk als ouder 1 een recessief albino gen doorgeeft). In letters: ouder 1 = wildkleur het. albino:Aa ouder 2 = albino:aa mogelijke gen combinaties nakweek: ouder 1: A x ouder 2: a = Aa = wildkleur het. voor albino. ouder 1: a x ouder 2: a = aa = albino. Weer een stapje ingewikkelder word het als je een wildkleur heterozygoot voor albino gaat kruizen met een andere wildkleur heterozygoot voor albino. Beide ouders zullen namelijk in de helft van de gevallen het albino gen door geven en in het andere geval het standaard gen. doordoor onstaan er twee keer zoveel combinaties die mogelijk zijn als bij het vorige voorbeeld namelijk 4. De nakweek zal bestaan uit 25% puur wildkleur, als beide ouders het standaard gen doorgeven, 50% wildkleur het. albino, Als een van de twee ouders een normaal gen doorgeeft en de ander een albino gen, en 25% albino, als beide ouders een albino gen doorgeven. In letters: ouder 1 = wildkleur het. albino:Aa ouder 2 = wildkleur het. albino:Aa mogelijke gen combinaties nakweek: ouder 1: A x ouder 2: A = AA = wildkleur. ouder 1: A x ouder 2: a = Aa = wildkleur het. albino. ouder 1: a x ouder 2: A = aA = wildkleur het. albino. ouder 1: a x ouder 2: a = aa = albino. dit zijn alle mogelijke combiaties van de ouder genen en daarmee zie je ook hoe je aan de percentages voor de verschillende eigenschappen komt. 1 op de 4 combinaties, dus 25%, geeft alleen wildkleur, 2/4, dus 50% geeft wildkleur het albino en weer 1/4 , dus ook 25% geeft albino! Van de dieren die wildkleur zijn kun je niet zien of ze bij de 50% horen die het. zijn voor albino, of dat het pure wildkleur dieren zijn(25%). De kans is 2 op de 3 dat de wildkleuren heterozygoot zijn voor albino en daarom worden de dieren ook wel wildkleur 66% possible het. albino genoemd. Daarmee geef je dus aan dat je het niet zeker weet of de dieren het. zijn voor albino, maar dat de kan dat het zo is 66% is! Als laatste voorbeeld van recessief kweken neem ik een voorbeeld waarbij twee recessieve eigenschappen gecombineerd kunnen worden. Stel je hebt twee dieren 100% heterozygoot zijn voor albino en patternless. Deze kun je verkrijgen door het kruizen van een albino met een patternless. Als je een man en vrouw hebt die heterozygoot zijn voor albino en patternless (dus dubbel heterozygoot of ook wel "double het" genoemd), dan kun je een maar liefst vier verschillende morphs als nakweek krijgen namelijk wildkleur, albino, patternless en een combinatie van de twee recessieve eigenschappen patternless albino! Om dat in woorden uit te leggen is een heel verhaal, maar net als bij de vorige recessieve kweek voorbeelden gaat het erom dat je alle mogelijke gen combinaties van de ouders met elkaar vermenigvuldigd om het eind resultaat te krijgen. Alleen moeten we nu niet één gen bekijken maar twee, vandaar dat het aantal combinaties aan genen dat beide ouders door kunnen geven groter word en dus ook het totaal aantal mogelijke gen combinaties. ouder 1 = wildkleur het. albino het. patternless:AaPp ouder 2 = wildkleur het. albino het. patternless:AaPp om het makkelijker te houden om te zien varieer ik steeds per blok alleen de mogelijke gen combinaties van ouder 1 en neem ik steeds 1 mogelijke gen combinatie voor ouder twee. Beide ouders kunnen 4 gen combinaties doorgeven dus uiteindelijk zijn er 16 mogelijke combinaties waaarop de ouders hun genen door kunnen geven mogelijke gen combinaties nakweek: ouder 1: AP x ouder 2: AP = AAPP = wildkleur. ouder 1: Ap x ouder 2: AP = AAPp = wildkleur het. patternless. ouder 1: aP x ouder 2: AP = AaPP = wildkleur het. albino. ouder 1: ap x ouder 2: AP = AaPp = wildkleur het. albino het patternless. ouder 1: AP x ouder 2: Ap = AAPp = wildkleur het. patternless. ouder 1: Ap x ouder 2: Ap = AApp = patternless. ouder 1: aP x ouder 2: Ap = AaPp = wildkleur het. albino het. patternless. ouder 1: ap x ouder 2: Ap = Aapp = patternless het. albino. ouder 1: AP x ouder 2: aP = AaPP = wildkleur het. albino. ouder 1: Ap x ouder 2: aP = AaPp = wildkleur het. albino het. patternless. ouder 1: aP x ouder 2: aP = aaPP = albino. ouder 1: ap x ouder 2: aP = aaPp = albino het. patternless. ouder 1: AP x ouder 2: ap = AaPp = wildkleur het. albino het. patternless. ouder 1: Ap x ouder 2: ap = Aapp = patternless het. albino. ouder 1: aP x ouder 2: ap = aaPp = albino het. patternless. ouder 1: ap x ouder 2: ap = aapp = patternless albino. Tel je de verschillende mogelijkheden op dan kom je dus op: 1/16(=6,25%) wildkleur, 1/16(=6,25%) albino, 1/16(=6,25%) patternless, 1/16(=6,25%) patternless albino, 2/16(=12,5%) wildkleur het. patternless, 2/16(=12,5%) wildkleur het. albino, 2/16(=12,5%) patternless het.albino, 2/16(=12,5%) albino het patternless, 4/16(=25%) wildkleur het. albino het. patternless. polygenetische eigenschappen bij luipaardgekko's: Naast recessieve eigenschappen hebben we als volgende soort eigenschappen de polygenetische eigenschappen ook wel lijnkweek genoemd. Deze eigenschappen worden niet veroorzaakt door een bepaald gen dat aangewezen kan worden, maar door een hele groep genen samen (poly=veel, dus vandaar polygenetisch = veel genen). Deze eigenschappen komen dan ook altijd tot uiting en wel in de mate waarin het diertje de betreffende groep genen wel of niet bezit. Enkele polygenetische eigenschappen:
Bij lijnkweek is dus de hoeveelheid "juiste" genen die een dier bezit, van de groep genen die een bepaalde eigenschap bepaald, de factor die ervoor zorgt in welke mate een gekko die eigenschap vertoond. Omdat elke gekko de helft van de genen van zijn of haar moeder en de helft van de vader krijgt treed er een soort gemidelde op. Neem bijvoorbeeld de eigenschap hypo (hypo betekend gebrek aan pigment/stippen). De moeder heeft nog redelijk wat stippen, maar wel duidelijk minder dan een gewone gekko. De vader heeft geen stippen meer op zijn rug en is dus super hypo. De nakweek zal dus waarschijnlijk meer stippen krijgen dan de vader, maar minder dan de moeder. Hierbij kunnen wel afwijkingen optreden omhoog en omlaag, doordat per toeval relatief veel of weinig van de juiste genen worden doorgegeven door beide ouders. Daarmee komen we meteen bij de verklaring waarom polygenetische eigenschappen ook wel lijnkweek worden genoemd. Om polygenetische eigenschappen te versterken worden namelijk de dieren die de gewenste eigenschap het meest vertonen (dus de uitschieters omhoog) terug gekruisd op dieren die de eigenschap ook vertonen. Vaak zijn die dieren van dezelfde familie ofwel lijn bijvoorbeeld broer/zus/vader/moeder/oom/tante/neef of nicht. Doordat dit gedurende vele generaties binnen een bloedlijn door word gezet word dit lijnkweek genoemd. Een andere benaming voor deze vorm van kweken is selectief kweken. Uit alle nakweek van een generatie worden namelijk de mooiste dieren geselecteerd die de gewenste eigenschap het meest vertonen om mee verder te kweken, omdat de kans daarbij het grootst is dat de gewenste eigenschap zoveelmogelijk word doorgegeven. Bij lijnkweek is het dus in tegenstelling tot bij recessief kweken niet te berekenen maar alleen maar in te schatten hoe de nakweek eruit kan zien. Het hangt er maar net van af hoeveel van de gewenste genen de ouders doorgeven en dit is dus puur geluk hebben. CO-dominante eigenschappen bij luipaardgekko's: Het laatste type van genetische erfelijkheid bij luipaardgekko's zijn de CO-dominante genen. Dat zijn genen waarvan de eigenschap bij het bezit van een gen deels zichtbaar is en bij het bezit van twee genen volledig zichbaar is. dit zijn de eigenschappen waarbij er momenteel vanuit gegaan word dat ze CO-dominant zijn:
CO-Dominante genen erven op dezelfde manier over als recessieve genen (dus het is één paar genen dat de eigenschap bepaald), met dus de uitzondering dat een dier dat "het" is de eigenschap al wel deels zichtbaar vertoond. de kruizingen: gewoon x gewoon = gewoon. gewoon x giant (1 giant gen erft over als "het. super giant") = 50% giant, 50% gewoon. giant x giant = 25% gewoon , 50% giant, 25% super giant. gewoon x super giant = giant. giant x super giant = 50% giant 50% super giant. super giant x super giant = super giant. |